Skip to content

Phantom Thread

Paul Thomas Anderson US/CN, 2017, 130 min
Cast Vicky Krieps, Daniel Day-Lewis, Lesley Manville
Spoken language English
Subtitles Nederlands

Film history is the story of films constantly building on one another. If one contemporary director knows this, it’s Paul Thomas Anderson, PTA for professional purposes. In PTA & HIS MASTERS we take a look at the unofficial filmic predecessors of Paul Thomas Anderson. We place the director – arguably one of the most important directors of his generation – next to the influences he unabashedly cites in his work. In PTA & HIS MASTERS we link PHANTOM THREAD to Alfred Hitchcock’s REBECCA.

In post-war London, the famous couturier Reynolds Woodcock designs haute-couture clothing for the London high society and members of the royal family. Reynolds is supported by his sister Cyril, who manages the business side of things. The couturier is obsessive about his work and considers each of his designs artworks. Women only enter the notorious bachelor’s life for a short while as muses for inspiration, but nothing more. Until one day, he meets Alma. The young, strong-willed woman quickly turns his strictly organised life upside down.

The character of Woodcock is played by method actor Daniel Day-Lewis, who received his 6th Oscar nomination for his performance. After the release of PHANTOM THREAD, the actor announced his retirement from acting. And he did retire for seven years, before he would return in 2025 in the film ANEMONE directed by his son Ronan Day-Lewis. In preparation for the film, Day-Lewis watched archival footage of 1940s and 1950s fashion shows, studied famous designers, consulted with the curator of fashion and textiles at the Victoria and Albert Museum in London, and apprenticed under Marc Happel, head of the costume department at the New York City Ballet. He also learned how to sew, and to make patterns. The character of Reynolds Woodcock was based on Spanish designer Cristóbal Balenciaga and the relationship between his almost monastic life and lavish work.

PTA did not only direct the film but also worked as cinematographer on PHANTOM THREAD. He opted for a very intimate imagination of Reynolds’ world. Jonny Greenwood (of Radiohead fame) worked with PTA on the soundtrack again, after they had previously worked together on THERE WILL BE BLOOD, THE MASTER and INHERENT VICE and afterwards would join forces again for ONE BATTLE AFTER ANOTHER. Set to the tones of Greenwood’s billowing piano and strings score, the characters unfold, from the toxic egotistic Reynolds to the loyal sister and indomitable muse. “I have to love him my own way” never sounded so threatening.

For PHANTOM THREAD, PTA looked at the style of gothic classic cinema, like Alfred Hitchcock’s psychological thriller REBECCA (1940). From narrative themes like doomed love and distant, dominant husbands, to the gothic atmosphere that veils the images. But at an important moment, PTA opposed himself to the Master of Suspense. “I love Hitchcock’s REBECCA so much, but I watch it and about halfway through, I always find myself wishing that Joan Fontaine would just say, ‘Right, I have had enough of your shit.’” But still, she keeps tolerating her husbands behaviour. PTA gives the rebellious heroine the decisiveness that he wished for Joan Fontaine. But way does Fontaine – whose character in the film does not even get a name of her own – stay with her cold husband? According to PTA, they are deeply connected, and that idea intrigued him enough to make PHANTOM THREAD. The plot of PHANTOM THREAD revolves around the complex connection between Alma and Reynolds, the muse and the maker, and their relation is so ambiguous that you don’t know who to support. PTA’s vision stays stubborn and unique, but in true Hitchcock fashion, the master appears with REBECCA as cameo obviously also in PHANTOM THREAD.

Showtimes

De terreur van de almachtige auteur

DONDERDAG 26 JUNI 2025
Fien Meynendonckx

Hoe de cultus rond auteurscinema voor perverse verhoudingen zorgde, waarbinnen gevierde cineasten en producers hun actrices tot marionetten maakten. Over levensechte Svengali’s en on-screen wraak.

In George du Mauriers negentiende-eeuwse roman Trilby wordt het titelpersonage, een arm en muzikaal onbegaafd kunstenaarsmodel, gehypnotiseerd tot bewonderde zangeres. Die hypnosesessies verzwakken haar gezondheid, maar haar meester Svengali blijft ermee doorgaan en plukt de vruchten van haar succes. Zelf beseft ze amper wat er met haar gebeurt.

Vandaag is een Svengali ook een omschrijving voor manipulatieve regisseurs. En wat meer is: 125 jaar na de oorspronkelijke publicatie herinneren we ons niet haar, maar zíjn naam nog. Trilby verloor haar stem, zowel binnen als buiten de fictie. En dat is best symbolisch, zo blijkt.

 

Aantrekkelijke manipulator

De Svengali uit de roman is een getalenteerde muzikant die met de pluimen op Trilby’s hoed gaat lopen. Zijn naam werd al snel synoniem voor manipulatieve en gewiekste personen die weerloze wezens uitbuiten en beïnvloeden –  allemaal dankzij hun aantrekkingskracht en charisma.

In de rechtbank gebruiken advocaten een Svengali-verdediging in de hoop op vrijspraak voor hun cliënten. Een beklaagde wordt weggezet als een klein radartje in het masterplan van een alwetende poppenmeester. Zo werd Michèle Martin bijvoorbeeld verdedigd alsof ze onder de invloed stond van haar Svengali Marc Dutroux.

Ook in de Hollywoodgeschiedenis kreeg een Svengali een specifieke betekenis: een (meestal mannelijke) regisseur of producer, die een (meestal vrouwelijke) ster creëert en met alle lof gaat lopen.

 

Auteur met pet en baard

De oorspronkelijke Svengali maakt van de vrolijke en goedhartige Trilby een gevierde zangeres. Dat is op zich een verdienste, ware het niet dat hij de auteur wordt van haar leven. Hij ontneemt haar zelfbeschikking, gebruikt haar om zijn eigen behoeftes te bevredigen. Maar hij kon dat alleen maar doen omdat ze naar hem opkeek om te beginnen. Hij profiteert van zijn macht als invloedrijke kunstenaar.

Om die reden koppelt filmjournalist Helen O’Hara in haar boek Women vs. Hollywood het bestaan van Svengali’s in de filmindustrie aan de auteurstheorie. Die theorie ontstond eind jaren 1940 binnen de Franse filmkritiek en kreeg zijn naam dankzij François Truffaut. Omdat film tegen die tijd als een echte kunstvorm werd aanzien, was er nood om ook kunstenaars aan te duiden. Films zijn op-en-top collaboratieve kunstwerken, het resultaat van de samenwerking tussen een groot en veelzijdig team. Maar wat Truffaut volgens O’Hara bedoelt wanneer hij auteurscinema verdedigt, is dat de beste films worden gecreëerd door één persoon die zich niet laat commanderen door de studio, scenarist of andere ‘ondergeschikten’.

Ondertussen spreken we voornamelijk nog over een auteur wanneer die regisseur een hele herkenbare stijl heeft. Maar het idee van één leider-kunstenaar die de touwtjes stevig in handen heeft, zorgde er wél voor dat de andere jobs op de filmset onderdanig werden aan de visie van die artiest. De dominante bevelhebber – eerst in pak en das, dan met pet en baard – werd dan ook het oermodel voor de filmregisseur. Een model dat tot op de dag van vandaag overheerst.

 

Lichamen ten dienste

Het is waar, de kunstgeschiedenis is niet licht bezaaid met artiesten die hun status misbruikten. Van Pablo Picasso tot Jan Fabre, van Orson Welles tot David Fincher. En het is niet onbegrijpelijk dat jonge en adorerende aspirant-actrices ten prooi vallen aan de Svengali-neigingen van succesvolle regisseurs en producers.

Actrice Joan Fontaine was waarschijnlijk de eerste die de naam Svengali in die context gebruikte, en dat ging niet over de minste. Ze had het over de periode waarin Alfred Hitchcock haar in 1940 tijdens de opnames van Rebecca isoleerde van de andere acteurs om haar vertolking beter te kunnen controleren. Fontaine was niet de enige die de sterregisseur ervan beschuldigde zijn actrices als enkel lichamen te beschouwen, volledig ten dienste van zijn visie – denk maar aan Tippi Hedren die tijdens de opnames van The birds niet wist dat de mechanische vogels in de eindscène door échte kraaien waren vervangen.

Ten gevolge van de auteurstheorie doen medewerkers op een filmset met plezier wat de artiest wil. O’Hara specifieert: ‘Er komen pas problemen wanneer regisseurs daardoor te veel gaan vragen van hun acteurs en daarna met de eer gaan lopen.’

Een beroemd voorbeeld is de behandeling van Jean Seberg door Otto Preminger op de sets van Saint Joan en Bonjour Tristesse. De voor de nazi’s naar Amerika gevluchte Oostenrijkse regisseur ontnam bijna letterlijk Sebergs vrijheid door te zeggen waar en wanneer ze moest slapen, wat ze moest eten en dragen en hoe ze haar scènes moest acteren. Andere illustraties zijn legio: van Marlène Dietrich onder de regie van Josef von Sternberg, over Lauren Bacall in Howard Hawks’ The big sleep tot Megan Fox in de Transformer-films van Michael Bay.

 

Muze vs. manipulatie

Quentin Tarantino noemt Uma Thurman zijn muze. Anna Karina was die van Jean-Luc Godard, Laura Dern die van David Lynch. Het grote verschil tussen muze en manipulatie is de onevenwichtige machtsrelatie en de beroving van eigenaarschap. Een muze verschaft inspiratie, geen excuus voor onredelijke eisen en wangedrag.

De lijn is dun, natuurlijk. Maar als je de redenering van O’Hara volgt, legitimeert de auteurstheorie onredelijkheid. Dus Uma Thurman die blind het bevel volgt van Tarantino op de set van Kill Bill en verplicht wordt om het gaspedaal van haar Volkswagen Karmann Ghia in te trappen terwijl ze allebei weten dat die gebrekkig is? Of Rooney Mara die haar wenkbrauwen afscheert en haar tepels laat piercen voor The girl with the dragon tattoo?

De regisseurs zouden dit waarschijnlijk gewoon intense samenwerkingen met hun ‘muzes’ noemen. Maar in de realiteit is dit wangedrag een onrechtstreeks gevolg van de macht van de auteur – Tarantino heeft zich voor de Kill Bill-controverse wel uitgebreid geëxcuseerd, maar lag toch weer onder vuur door zijn fetisjistische beeldvorming van Margot Robbie als de al-dan-niet-vermoorde actrice Sharon Tate in Once upon a time in Hollywood.

 

Giftige omeletten

Machocultuur achter de schermen is dus intiem vervlochten met de macht van de auteur. Volgens O’Hara ligt de oplossing niet per sé – of alleen – in het uithollen van de auteurstheorie of in het aan belang verminderen van de macht van de kunstenaar. ‘Het is vooral kwestie van bijstellen wie er zich auteur mag noemen. Vrouwelijke regisseurs krijgen meer te maken met studio-inmenging, waardoor hun auteurschap wordt ondermijnd. Er zijn ook maar weinig vrouwelijke regisseurs die door critici als auteurs bestempeld worden.’

Die tendens is sinds #MeToo wel beginnen te verschuiven. Stilaan krijgen vrouwen meer te zeggen achter de schermen en wordt onredelijk gedrag afgekeurd.

Ook on-screen lijkt de terreur van de almachtige auteur te tanen en nemen vrouwen het over van hun Svengali’s. In twee hedendaagse voorbeelden van Svengali-relaties op het witte doek, nemen uiteindelijk de vrouwen de macht. In Paul Thomas Andersons mooiste, Phantom thread, pareert muze-model Alma de dominantie van Daniel Day-Lewis’ modeontwerper met giftige omeletten. Ze maakt hem feitelijk afhankelijk van haar door hem te vergiftigen en hem daarna te verzorgen. Ze keert daardoor de machtsrollen om, op een heel extreme manier.

In de scifi-thriller Ex machina vermoordt de robot Ava niet alleen haar maker, de excentrieke tech-goeroe Nathan Bateman, maar ook Caleb, een onbeduidende programmeur die verliefd op haar wordt. Bateman staat symbool voor een nieuw soort ‘auteur’, het type ondernemer dat net als Jeff Bezos en Mark Zuckerberg met verachtelijk gedrag lijkt weg te komen. Zowel de Nathan als Caleb belichamen bovendien verschillende aspecten van de mannelijke blik op het vrouwenlichaam. Ava ontneemt hen de macht en neemt hun plaats in.

In tegenstelling tot de oorspronkelijke weergave van Trilby in de gelijknamige roman, imiteren deze twee vrouwelijke personages hun Svengali’s. Ze leren van hen, passen zich aan de situatie aan en heroveren zo hun eigen stem. Zodat we ons hún naam herinneren, deze keer.

 

Phantom Thread