Skip to content

Slow down. Log off.

In een wereld vol prikkels is aandachtig naar één scherm kijken een vorm van zelfzorg. Je vertraagt, je verdwaalt, en laat zelfs verveling toe: stuk voor stuk survival skills die we zijn kwijtgeraakt.

Korte clips, snelle swipes en eindeloze meldingen. Dankzij onze kleine schermen is aandacht een schaars goed geworden. Hierdoor zijn we stilaan verleerd hoe het is om écht ergens naar te kijken, zonder afgeleid te worden. Stilte voelt ongemakkelijk. Verveling vermijden we koste wat kost. En zodra er een leeg moment valt, vullen we het met een eindeloze online beeldenstroom die even snel verdwijnt als ze is verschenen.

Met het filmprogramma Slackers & Drifters eisen we de volledige aandacht terug. Geen algoritmes op het kleine scherm die bepalen wat je ziet, maar echte mensen die zorgvuldig films selecteerden specifiek voor het grote scherm. Geen beelden die schreeuwen om je aandacht, maar films die vertragen, stilte toelaten en ruimte laten om weg te dromen, op adem te komen of de gekmakende leegte recht in de ogen te durven kijken.

VERDWALEN

Wanneer verdwaalde jij voor het laatst? Nu we overal een smartphone met ingebouwde navigatie meeslepen, lijken we allemaal perfect te weten waar we naartoe gaan. Van punt A naar B, en liefst volgens de kortste en/of snelste route.

Maar met onze angst om te verdwalen verliezen we ook onze zin voor avontuur, iets waar de twee mannen in Kelly Reichardts OLD JOY (2006) juist weer naar op zoek gaan. Zij vertrouwen op een verouderde wegenkaart en een vage herinnering om bij een afgelegen warmwaterbron te raken in de bossen. Spoiler alert: ze verdwalen. In Aleksandre Koberidze’s nieuwste lo-fi parel DRY LEAF (2025) dwalen Lisa en haar vader door het Georgische platteland, om er met een oude Sony Ericsson-gsm verlaten voetbalveldjes te capteren. Het is een meditatie over verdwijnen, loslaten en onderweg zijn — in de geest van de Iraanse grootmeester Kiarostami. Dat verdwalen en verdwijnen voelt in THE PASSENGER (1975) van Michelangelo Antonioni zelfs nog radicaler: Jack Nicholson speelt David Locke, een journalist die in een stoffig hotel in de Sahara de identiteit aanneemt van een overleden gast. Hij dwaalt niet doelloos rond, maar vlucht vooral van zichzelf.

Dat verdwalen vaak samenvalt met een existentiële zoektocht, wordt tastbaar in WANDA (1970) van Barbara Loden. Waar David Locke nog bewust kiest voor een ander leven, dwaalt Wanda niet uit verlangen, maar uit onthechting door het troosteloze Pennsylvania. Haar grillige tocht is tegelijk een radicale afwijzing van de rol die van haar als vrouw en moeder wordt verwacht.

Urban jungle
Waar sommigen de leegte opzoeken om te verdwijnen, verliezen de jongeren in de films van de Taiwanese grootmeesters Edward Yang en Tsai Ming-liang zich juist in een teveel: beton, neon en snelheid. In TAIPEI STORY (1985) zien we hoe de razendsnelle modernisering van de stad de bewoners vervreemdt: ze dwalen door hun eigen vertrouwde straten alsof het vijandig terrein is geworden. Bij Tsai krijgt dat dwalen zelfs iets koortsachtig. In REBELS OF THE NEON GOD (1992) zoeven jongeren doelloos op hun brommers door het nachtelijke, regenachtige Taipei. Ze vluchten uit de verstikkende appartementen van hun ouders, zoekend naar houvast in anonieme en lekkende plekken.

Ook in het kleurrijke en zonnige Kingston, Jamaica van 1977 probeert drummer Leeroy ‘Horsemouth’ Wallace greep te krijgen op zijn leven: hij koopt een motor zodat hij in ROCKERS (1978) geld kan verdienen door reggeaplaten rond te brengen. Als die wat later gestolen wordt, ontpopt hij zich tot een soort van Robin Hood die het onrecht in zijn stad aanpakt. Ook privédetective Philip Marlowe gaat in Robert Altmans THE LONG GOODBYE (1973) de strijd aan met de misdaad in het warme Los Angeles van de jaren 1970. Maar Elliott Gould zet de detective niet ijskoud neer zoals Humphrey Bogart hem voordeed, maar als een dwalende speurneus die verloren loopt in een stad die hij niet meer begrijpt.

 

VERTRAGEN

Wist je dat we vandaag sneller door stadscentra wandelen dan dertig jaar geleden? Dat we zelfs veel sneller praten dan onze voorgangers? De aarde mag dan nog even snel rond de zon draaien als weleer, het leven erop raast jachtiger dan ooit.

In de stad versnelt alles. Zo trekt Wim Wenders in TOKYO-GA (1985) naar de stad van de Japanse grootmeester Yasujiro Ozu. In zijn films werd het verval van de Japanse identiteit in een verstilde harmonie getoond.“Niet door afkeurend te wijzen naar alles wat nieuw, westers of Amerikaans is,” aldus Wenders, “maar door met een ingetogen, ongeïdealiseerde nostalgie te rouwen om het verlies dat zich tegelijk voltrekt.” Wanneer hij door Tokio dwaalt, denkt hij onvermijdelijk aan de harmonieuze metropool uit Ozu’s films en vraagt hij zich hardop af: verliest een snel veranderende stad haar geheugen, verliezen haar inwoners hun verleden?

In COLUMBUS (2017) van de Koreaans-Amerikaanse kogonada wordt duidelijk dat we nog iets anders verliezen: ons geduld, onze aandacht en zelfs onze interesses. De film volgt de ontluikende vriendschap tussen de jonge Casey, die vastzit in haar geboorteplaats Columbus, en een man, Jin, die daar gestrand is door de ziekte van zijn vader, een architect. Terwijl toeristen van over de hele wereld het stadje overspoelen, proberen inwoners net de rust en voor hen inmiddels onzichtbare schoonheid te ontvluchten. kogonada dwingt ons om samen met hen stil te staan. Zijn camera beweegt nauwelijks en zijn kaders zijn zo perfect gecomponeerd dat elke haastige blik een belediging zou zijn. Hij wijst je op schoonheid en leert hoe geduld een schone deugd kan zijn.

Genadeloos geduld
Soms is die vertraging echter genadeloos, en toont ze niet de mooie, maar juist de minder mooie dingen haarscherp. In THE TURIN HORSE (2011) van Béla Tarr is er geen ontsnappen aan de loodzware herhaling van het dagelijkse overleven. De film opent met een minutenlang shot van een paard dat tegen de wind in beukt, zo lang dat je de fysieke weerstand zelf begint te voelen. Tarr laat ons zes dagen lang kijken naar een vader en dochter die in een desolate hut aardappelen eten. Het is cinema die niet ‘geconsumeerd’ wil worden, maar die je moet ondergaan. Pas dan begin je de kleinste details te zien: het opwaaiende stof, de textuur van een houten tafel, de diepe groeven in een gezicht.

Dat wachten een bijna koortsachtige, hallucinante vorm kan aannemen, bewijst Lucrecia Martel in ZAMA (2017). Een Spaanse officier in een afgelegen koloniale post wacht jarenlang op een brief van de koning die hem eindelijk naar huis zal sturen. De tijd staat hier niet stil, maar wordt elastisch en voelbaar. Martel laat de geluiden van de omgeving en de indrukken geleidelijk aan aanzwellen tot de kijker, net als Zama, de grip op de realiteit stilaan verliest. Vertragen is geen rustpunt, maar een existentiële uitputtingstest.

Toch schuilt er in die vertraging ook een diepe menselijkheid. In IKIRU (1952) van Akira Kurosawa ontdekt een bureaucraat dat hij terminaal ziek is. De film vertraagt op het moment dat zijn leven bijna voorbij is. In de resterende tijd probeert hij nog één betekenisvolle daad te stellen: de bouw van een speeltuin. Vertragen betekent hier: eindelijk prioriteiten stellen. Ook in Kim Ki-Duks SPRING, SUMMER, FALL, WINTER… AND SPRING (2003) zien we hoe het ritme van de natuur de menselijke driften overstijgt. De seizoenen passeren, de jaren verglijden, en de film herinnert ons eraan dat wij slechts passanten zijn in een veel groter, trager verhaal. Voor wie wil, bij twee vertoningen van deze film wordt de kijkervaring verdiept met een voorafgaande yogasessie die helpt om in dezelfde staat van rust, aandacht en ontvankelijkheid te komen.

Wie de tijd durft te nemen ziet meer, bewijzen deze films. Daarom tonen we ook Claire Denis’ BEAU TRAVAIL (1999) waarin het verhaal van een Frans vreemdelingenlegioen onder adjudant-chef Galoup zich ontvouwt via ritme, afzondering en herhaling. Met ‘TILL MADNESS DO US PART (2013) gaat Wang Bing nog een stap verder. Op een afgesloten verdieping van een psychiatrische instelling in het zuidwesten van China delen mannen dezelfde benauwende ruimtes en hetzelfde eindeloze ritme. Dagen vloeien over in elkaar, zonder begin of einde, zonder perspectief. Zonder uitleg of context dwingt Wang de kijker om in die duur te blijven, ook wanneer het schuurt of stilvalt. Net te midden van dat isolement en de existentiële verveling vindt Wang ook flarden van menselijkheid en maakt hij zichtbaar wat anders verborgen blijft.

 

VERVELEN

Verveling is vructhbare grond voor cinema. Ze toont niet alleen hoe we leegte proberen te vermijden, maar ook wat er ontstaat als we die juist toelaten. Zonder het te beseffen zijn de leeglopers en verveelde zielen misschien wel echte voorlopers geworden: ze tonen ons hoe je de leegte moet toelaten, in plaats van die meteen te dempen met de snelle dopaminefix van je smartphone. Maar wie de leegte toelaat, tonen deze films, ontdekt dat verveling de verbeelding aanwakkert en een even rebelse als absurde en soms zelfs destructieve kracht is. Nergens werd verveling zo gecultiveerd als in de jaren 1990.

In SLACKER (1990) laat Richard Linklater de camera simpelweg overspringen van de ene naar de andere inwoner van Austin, Texas. Het zijn straatfilosofen die praten over complottheorieën, over de betekenis van Madonna, of over niets. Zo vertelt Linklater tijdens zijn cameoverschijning aan een taxichauffeur over een droom die hij pas had: “Heb jij soms van die dromen die helemaal echt aanvoelen? Zo levendig dat het compleet echt lijkt?” De chauffeur reageert niet. “Hoe dan ook, die droom van daarnet was precies zo, behalve dat er niets vreemds gebeurde. Er gebeurde helemaal niets.”

Diezelfde slacker-spirit waart ook door de videotheek van Kevin Smiths CLERKS (1994). Tussen de rekken met VHS-bandjes door doden Dante en Randal de tijd met snedige dialogen en een potje hockey op het dak. Hun verveling is geen levensfilosofie, enkel een houding om de dag door te komen.

Eindeloze momenten
Dat verveling ook een dwingende, bijna surrealistische kracht kan hebben, toont de Mexicaanse film TEMPORADA DE PATOS (2004). Wanneer de stroom uitvalt in een flatgebouw, stranden twee tieners in een vacuüm zonder videospelletjes of televisie. Wat volgt is een lome middag die draait om een te laat bezorgde pizza, een buurvrouw die een cake wil bakken en een schilderij van vliegende eenden. Het is een ode aan die momenten waarop er schijnbaar niets gebeurt, maar waarin menselijke connecties de kans krijgen om te ontkiemen.

Soms grenst die verveling aan het absurde, zoals in ABEL (1986) van Alex van Warmerdam. De dertigjarige Abel weigert het huis van zijn ouders te verlaten en doodt de tijd door met een enorme schaar vliegen uit de lucht te knippen. Dat is alvast een uitdagendere activiteit dan waar de iconische Beavis en Butt-Head voor bekendstaan: televisie kijken.

Wanneer die lichtbak in BEAVIS AND BUTT-HEAD DO AMERICA (1996) gestolen wordt, klimmen de twee iconische hangjongeren uit hun geliefde zetel om er zelf een terug te stelen. Slim. Wanneer hun leraar hen op heterdaad betrapt als ze de tv uit hun klas willen stellen, wijst hij de twee erop dat de diefstal van hun toestel een positieve ervaring kan zijn. “Er ligt daarbuiten een prachtige en spannende wereld te wachten wanneer we ontdekken dat we geen televisie nodig hebben to entertain us.” Dat vindt het tweetal dus grappig. “Entertain us… anus.” De langharige leraar zucht. “Hebben jullie ook maar één woord gehoord van wat ik zei?” Ja, zeggen de tv-junkies. “Anus.”

Hotel verveling
Verveling is hier geen gebrek, maar een open ruimte. In SOMEWHERE (2010) van Sofia Coppola wordt die ruimte een kamer in het iconische Hollywoodhotel Chateau Marmont, waar een filmster zichzelf tegenkomt terwijl hij zich te pletter verveelt. Ook het hotelpersoneel kent dat gevoel. In Robina Rose’s punkfilm NIGHTSHIFT (1981) is het de night manager die tijdens haar nachtdienst apatisch toekijkt wat er zich allemaal afspeelt in de lobby van een hotel in een stad die nooit slaapt. In Joanna Hoggs ARCHIPELAGO (2010) is het decor veranderd van een hotel in een vakantiehuis op een eiland. Tijdens een familie-uitje vallen daar zoveel ongemakkelijke stiltes dat alles wat onbesproken blijft stilaan al het andere overstijgt.

Wat blijft er over als de ruis wegvalt? Die vraag blijft terugkeren. In Nobuhiro Yamashita’s LINDA LINDA LINDA (2005) proberen enkele lummelende Japanse meiden de leegte weg te spelen met drums, gitaren en punksongs. Zij oefenen voor een rockoptreden op hun school, maar op het moment dat hun eigen concert gepland staat, liggen ze gewoon verveeld te dutten. Is verveling misschien de olifant in de kamer bij ELEPHANT (2003)? In Gus Van Sants film over twee tieners die zich voorbereiden voor iets lugubers lijkt dat apatische gevoel wel de voedingsbodem voor hun monsterlijk metamorfose.

Verveling en vertraging kent vele gedaantes in film. Maar één ding staat vast: in een wereld die schreeuwt om je aandacht, biedt de bioscoop een zeldzaam rustpunt. Of je nu door de Sahara dwaalt met Jack Nicholson, je naast Beavis en Butt-Head in de zetel nestelt of gewoon even incheckt bij een hotel waar verveling in de kamerprijs is inbegrepen: met Slackers & Drifters wordt De Cinema een vrijplaats om ongestoord te genieten. Maar wat je ook kiest: zet je telefoon op stil, laat de beelden het werk doen. Log off. Drift away.

Overview - Slackers & Drifters